Literaire kritieken

Vanaf het voorjaar van 2017 positioneert DW B zich nog steviger middenin het literaire debat. We blijven inzetten op gedegen teksten waarin critici de tijd nemen en de ruimte krijgen om zich op geheel eigen wijze te verhouden tot belangrijke literaire werken. Er is maar één verschil met het verleden: we drukken de kritieken niet meer af op papier maar plaatsen ze direct online op www.dwb.be. Zo zingt DW B ook digitaal mee in het polyfone koor dat de literaire kritiek is - met haar eigen, voldragen stem.

 

Voor de literaire kritieken die voor 2017 in de DW zijn verschenen kunt u terecht op de archiefwebsite.

Volg daarvoor deze link: dwbarchief.be

 

 


 

 

De man die zichzelf aanviel, over 'Condities' van Thomas Heerma van Voss

Auteur: Liesbeth D'Hoker - juni 2020

Thomas Heerma van Voss, Condities. Das Mag, Amsterdam, 2020. 

Download deze tekst in pdf hier

 

Met Condities, een roman over verval en de vurige wens tot wederopstanding, voegt Thomas Heerma van Voss een nieuwe telg toe aan zijn fictioneel werk. Condities beschrijft de wankele toestand van de protagonist als schrijver, geliefde en zieke. Heerma van Voss geeft in interviews aan dat die ‘conditie’ geïnspireerd is door zijn persoonlijke ziektegeschiedenis, die hij nu omsmeedt tot fictie.
            Heerma van Voss (1990) is geen groentje meer. Op jonge leeftijd debuteerde hij met De Allestafel (2009), vier jaar later volgde Stern, nog een jaar later kwam de verhalenbundel De derde persoon en in 2017 verscheen het muziekessayboek Plaatsvervangers. Gezien zijn palmares behoort Heerma van Voss tot wat Gaea Schoeters onlangs in Rekto:Verso omschreef als de mid-career auteur, die steeds vaker valt ‘tussen wal en schip’.[i] Na de opwaartse beweging met bijvoorbeeld een opgemerkt debuut, een lovend onthaalde tweede roman en een vermelding in de pers als ‘een van de grootste literaire talenten van Nederland’, dreigt stagnatie voor heel wat van deze schrijvers. In Condities verknoopt Thomas Heerma van Voss dit balanceren op het ‘vlakke stuk in het midden van de curve’[ii] waar veel auteurs vanaf hun derde roman mee worstelen.
            Heerma van Voss weet meteen de toon te zetten. We zien de protagonist Pek liggen op een massagetafel. Onder de herhaaldelijke aansporingen om te ontspannen, dieper in en langzamer uit te ademen, gaan zijn gedachten alle kanten uit. Waar zit de deur naar het toilet? Was dat wel een goed idee, die witte onderbroek? Wat doet hij hier eigenlijk? De massage, een verjaardagscadeau van Peks geliefde met wie zijn relatie in het slop zit, moet hem resetten. Een nieuwe start als mens, als partner en als schrijver, dat is het doel.
Pek, die eigenlijk Vincent Pek heet, maar sinds zijn diagnose opgehouden is de eigen voornaam te gebruiken, presenteert zich aanvankelijk als lachwekkende loser. Een gegeven dat, samen met het opvallend gebruik van zijn familienaam, bijna grunbergiaans aandoet. Gelukkig bepaalt die ironische distantie niet de gehele roman want Condities is op zijn sterkst als de spot verdwijnt, in de scènes waar blijkt dat Heerma van Voss een heel intiem verhaal wil vertellen.
 
Ergens schrijft natuurlijk iedereen over zichzelf. Het gaat erom hoe je het aanpakt, welke vorm, welk perspectief.
 
Condities is in die zin ook een metaroman over een schrijver die iets persoonlijks wil delen, maar niet voluit durft. Initieel geen focus op het eigen ik voor Thomas Heerma van Voss noch voor zijn protagonist Pek. Die laatste loopt dan ook niet hoog op met de huidige generatie Nederlandse schrijvers wier romans zich uitsluitend afspelen ‘in het brein van sombere, eenzame hoofdpersonages. Niemand heeft nog een lichaam. Al die fijngevoelige, verstikkend cerebrale verhalenbundels, al die subtiele romans vol zielenpieten die net gedumpt zijn en passief in de grote stad rondzwerven, af en toe een citaat oplepelend van Hannah Arendt – ze zullen vast ingenieus in elkaar zitten, maar het boeit niemand.’ Verspreid in de roman staan wel meer niet mis te verstane commentaren op Heerma van Voss’ generatiegenoten.
            De roman is gebouwd op twee grote verhaallijnen, waartussen duidelijke dwarsverbanden lopen. Enerzijds is er de raamvertelling over het geknakt bestaan van Vincent Pek, anderzijds geeft de auteur ons een inkijk in het schrijfproces van het boek waaraan Pek werkt. Een typisch droste-effect dus, want ook in deze laag staat de schrijver erop expliciet te vermelden dat zijn personage Gregor geen alter-ego is, al lijdt hij wel aan dezelfde plotse opstoten van hevige buikpijn en maakt hij in grote mate mee wat Pek zelf beleeft.
            Het lijkt wel een vrijwaringsclausule: geen uitgevent leed! Thomas Heerma van Voss wil de regie zelf in handen nemen. Dit is de plaats waar hij zich kan onttrekken aan de willekeur van de realiteit die slaat en zalft: ‘Hier bepaalt hij tenminste zelf wat de patiënt overkomt.’ Heerma van Voss schrijft niet om ‘dingen van zich af te schrijven’. Integendeel, hij wil net meer grip op het wervelende leven krijgen, zo stelt hij in Plaatsvervangers. Woorden die hij ook zijn personage Pek in de mond legt, maar waar hij in het tweede deel van de roman teleurgesteld, en deze keer wel vanuit het ik-perspectief, op terug moet komen. Afstand – door de creatie van een fictief kader, of door een beroep te doen op ironie – brengt geen ‘verlossing’.
            Mooi in die zin is het verband met de muziek van Hans Zimmer, die Heerma van Voss reeds prees in Plaatsvervangers. Wanneer Pek aan zijn boek schaaft, luistert hij naar zijn filmcomposities. Zimmer is een meester die de kneepjes van het vak onmiskenbaar in de vingers heeft en met een paar welgemikte akkoorden of een druk op de juiste knop de luisteraar weet te overspoelen met emoties. Toch hebben die gevoelens geen echte grond en zijn ze veeleer het resultaat van clever effectbejag. Pek verliest zich liever in emotionele pastiches dan echt iets te voelen.
            De inschakeling van ironie, die soms de nodige kritische twijfel zaait, maar ook al te vaak ingezet wordt als een schild, is hier parallel mee. Met ironie trek je een pantser op, of plaats je het leven tussen aanhalingstekens. ‘Als je iets wilt bouwen, kan ironie nooit je materie zijn’,[iii] stelt Joost de Vries terecht in zijn mooie openingsessay uit Vechtmemoires. Een ironische houding tegenover wat reëel is, lijkt sterk op het afblokken van echte gevoelens en het verkiezen van tweedegraads emoties als plaatsvervangers.
            Niet het echte leven, dat blijkt ook uit de personages die duidelijk geboetseerde types zijn: Pek is de brave 32-jarige zoekende schrijver, geboren in het keurige Amstelveen, die van zijn redacteur de veelzeggende raad krijgt om eens tomeloos te gaan leven. Zijn vriendin Femke is daadkrachtig, lief en begripvol maar toch ook zo anders dan zijn eerste liefje Jana, die hem met haar zelfzekerheid overdonderde en wie hij maar niet kan vergeten. Dankzij Heerma van Voss’ oog voor detail en het specifiek voor Jana ontwikkeld idioom krijgt de lezer meer inzicht in de verhouding dan Pek zelf. Zij is wat hij niet is: doortastend, onstuimig, roekeloos. Allemaal eigenschappen waar Pek erg van onder de indruk is.
 
Elf keer hadden ze elkaar inmiddels gezien, hij hield de tel bij. (…) Van tevoren had Vincent een lijstje met mogelijke gespreksonderwerpen in zijn telefoon gezet, een spiekbriefje met filmtitels en bands waarover veel te bespreken viel, maar hij hoefde er niet één keer op te kijken.
 
Heerma van Voss etaleert zijn kunde met deze zorgvuldige – hoewel enigszins karikaturale – karakterschetsen en slaagt erin met kleine ingrepen, zoals een veelzeggende bijzin, zijn figuren gestalte en diepte te geven: ‘(…) nauwkeurig afmetend zoals vroeger wanneer hij met zijn vader pannenkoeken maakte.’
            Ook compositorisch staat de roman stevig in zijn schoenen. Zo zijn de scènes erg gevarieerd en doorweven met talrijke intertekstuele verwijzingen. ‘Gregor met zijn instabiele lijf’ brengt ogenblikkelijk de insectenpootjes die vruchteloos in de lucht trappelen uit Kafka’s Metamorfose voor het geestesoog, de subtitels ‘De Openbaring’ en ‘De Verlossing’ herinneren dan weer aan de Bijbelse eindstrijd tussen God en het Beest. Verval, aanvankelijk met de hoop op heil door transformatie, daar gaat het om. Vanuit die optiek reflecteert Heerma van Voss op metaniveau ook over de metamorfose in zijn eigen oeuvre:
 
Ja, de sensitieve, toekijkende Gregor van zijn eerste boeken heeft Pek inmiddels achter zich gelaten, toen schreef hij nog in de overtuiging dat literatuur stond of viel met subtiliteit, dat er in een mensenleven nu eenmaal niets onverwachts gebeurt en dat proza bovenal realistisch behoort te zijn.
 
Het belichaamde bestaan
Waarin zit de omslag? Heerma van Voss schrijft nog steeds realistisch proza in een heldere schriftuur, maar zijn protagonist valt niet langer samen met de rol van toeschouwer, hij kent niet langer een kabbelend bestaan. Door de onverwachte en onherroepelijke confrontatie met leed moet hij wel deelnemen. Onhandig, komisch, vloekend en op de tast, want de uitkomst blijft ongewis.
 
Steeds sterker bekruipt me het idee: hierin schuilt de grootste beproeving. Niet in de diagnose. Niet in dat interview of het eindeloze zoeken naar het juiste medicijn. Niet eens in Femkes vertrek. Het allerzwaarst is dit wachten en gaandeweg niet meer weten waarop.
 
Crohn is een ziekte die geen verloop kent, geen opbouw en geen ontknoping, Hanna Bervoets schreef in 2019 met Welkom in het rijk der zieken al een prachtige roman over het leven met zo’n chronische aandoening. Behalve de thematiek hebben beide boeken echter amper raakvlakken. Bovendien spitst Condities zich meer toe op het hele identiteitsvraagstuk: hoe moet het verder met die fictieve constructie, dat geruststellend imaginaire kader waar je al je ervaringen in kan kapselen, als dat van het ene op het andere moment drastisch wijzigt? Wat Pek na de diagnose rest, is een leegte de zich opvult met al wat hij niet is:
 
Dit was hij dus. Vincent Pek. Geen plotselinge huisvader, geen student met een kinderzitje voor op zijn fiets, maar een man die zichzelf aanviel.
 
Nieuw leven verschijnt om zich heen, talloze uitingen van vitaliteit kruisen zijn blik en blijven erin steken als een doorn. Zijn ouders lopen met ‘haastige dribbelpasjes’, lijken alleen maar actiever te worden op hun oude dag, terwijl hij jong en kapot is.
In de roman is er een grote aandacht voor het lichamelijke: uitwerpselen, zweet, stank, onderzoeken aan ‘de worst’, de angst niet meer te kunnen klaarkomen en de opluchting wanneer dat uiteindelijk toch weer lukt: ‘weer volwaardig stijf’, ja, ‘Pek functioneert nog.’ Deze plasticiteit past binnen de focus op pijn en ziekte. Maar ook identiteit is bij uitstek lichamelijk, het lichaam is de plek waarin het leven plaatsvindt, een opslagplaats van emoties, interacties, ervaringen, de ruimte waarin herinneringen rijpen en van gedaante wisselen.
            De ziekte manifesteert zich voor het eerst nadat Jana met hem gebroken heeft. Pas na alarmerende fysieke klachten – de blikken van de ander die hem attenderen op het straaltje bloed dat zich vermengt met urine van de andere voetbalsupporters in het urinoir – laat Vincent Pek zich onderzoeken en volgt ‘de openbaring’. Hij lijdt aan Crohn. Deze auto-immuniteitsziekte blijkt een typische aandoening van de moderne westerse wereld. Hoewel de ziekte al van bij de geboorte in het lichaam van de patiënt sluimert, wordt Crohn vaak uitgelokt door een stressvolle situatie of een traumatische gebeurtenis.
            De ziekte van Crohn is met andere woorden een lichamelijke aandoening die sterk verweven is met de geest: Peks gedachten landen algauw bij de liefdesbreuk, maar hij slaagt er niet in dit tegenover de arts of iemand anders te verwoorden. Alsof hij zich schaamt om zijn conditie en hem zelf schuld treft. Het lijkt alsof hij bang is dat hij door openhartigheid een innerlijke zwakte bloot zou leggen. Zijn gebreken gaan dan ook niemand wat aan: ‘Ik word gek van al die mensen die hun leed ongevraagd delen met het publiek.’ Pek wil alles steeds onder controle hebben, hij denkt zijn leed met zijn discipline weg te kunnen werken. Bovendien valt zijn ziekte maar moeilijk te rijmen met zijn wens om uit te blinken, want ook ambitie is een belangrijk element van zijn identiteit: ‘Ja, dat wilde hij, indruk maken. Hoe wist hij nog niet, maar dat maakte zijn verlangen geen moment minder overheersend.’
 
Ziekte van de tijd
Excelleren, indruk maken: de personages in deze roman lijden wel aan meerdere ziektes van de tijd. Kritiek op de presentatiemaatschappij schemert door in verwijzingen naar de onderlinge concurrentiestrijd met andere schrijvers, het marktdenken van literaire uitgeverijen, de boeken over individuele groei op Femkes nachtkastje of simpelweg het feit dat Pek zijn eigen nachtelijke schrijfwerk bestempelt in termen van zuivere ‘winst’.
            De onzekere Pek, die niet alleen genadeloos hard voor anderen maar ook voor zichzelf is, lijkt behept met allerlei symptomen van het oplichterssyndroom. Hij heeft een universitaire opleiding, een paar goed ontvangen publicaties, een lieve, intelligente vriendin, wordt door de literaire kritiek als ‘wonderkind’ omschreven, ja, iedereen is lovend over hem. Toch heeft hij een inwendig stemmetje dat hem influistert dat hij helemaal niets kan. Het lijkt maar een kwestie van tijd voor hij uiteindelijk door de mand zal vallen: ‘het oordeel is duidelijk. In één klap zijn er mankementen vastgesteld, net zoals jaren terug door Jana en daarna in het Slotervaart.’
            Hij beschouwt zichzelf als een bedrieger. Een gevoel dat zelfs binnensluipt in zijn intiemste relaties, zoals wanneer hij Femke aanspreekt met het woord ‘liefje’:
 
Hoe makkelijk zij het woord ook uitsprak, uit zijn mond klonk dat ‘liefje’ onwennig, dat doet het nog steeds, ook al gebruikt hij het regelmatig en meent hij het elke keer.
 
Steeds weer zijn er de ‘verlammende zenuwen’ of vindt hij dingen ‘gênant’. Hij slaagt er niet in onder die controlerende blik die in hem huist en samenvalt met de eigen blik uit te komen. Door zijn oplichterssyndroom heeft Pek de neiging om steeds een muur rond zich te bouwen. Je blijft alleen met je interesses, voelt je niet gedragen, en uit angst om een paria te worden, schik je je zoveel mogelijk in de veronderstelde verwachtingen. In Peks geval: afwassen, stofzuigen, ontbijtjes maken. Pek lijkt continu in de weer met het afwenden van de Apocalyps, het moment waarop alles instort. Hij wil het Femke zo veel mogelijk naar haar zin maken, durft haar geen deelgenoot te maken van zijn leven als zieke. Dat afschermgedrag en die kruiperigheid worden op den duur zelfs irritant voor de lezer.
            De angst voor mislukking bungelt als een zwaard van Damocles boven Peks hoofd en beïnvloedt naast zijn relatie ook zijn schrijversbestaan. Als Pek het document ‘Wie houdt ons tegen versie 3 (NU ECHT NIEUW BOEK – ELF VERHALEN)’ op zijn computer opent, volgt de onvermijdelijke confrontatie met zijn twijfels, zijn faalangst. Wie houdt hem eigenlijk tegen? Door zijn blik kijken ontelbare publieke ogen mee.
            Tel daarbij het averechtse effect van de goedbedoelde raad van de moeder: Heb je dit middeltje, die arts, die therapie al geprobeerd? Alsof succes automatisch volgt als je maar voldoende je best doet, dingen een kans geeft. Mislukking heb je sowieso aan jezelf te danken.
            De meritocratische gedachte is in zowat alle domeinen doorgedrongen. Toch is een pijnloos en gesmeerd bestaan een onmogelijke illusie, maar een dergelijke insteek garandeert geen bestsellers. Aansporingen om je te blijven ontwikkelen, mee te dingen naar een plekje in de prestatiesamenleving, aan te schuiven aan de tafel in een populaire tv-show klinken veel luider. Thomas Heerma van Voss reflecteert hierover nooit expliciet in Condities, maar het zijn wel de ideeën waarop zijn roman drijft.
 
Een inwendige vreugdekreet die volkomen ongepast is, maar die aldoor hardnekkiger klinkt. Ik ben er nog, hoort hij dan, hij hoort het op dit moment: ik word weliswaar regelmatig lamgelegd door pijn en om me heen plant iedereen zich voort, ik heb al jaren geen verhaal meer gepubliceerd, maar ik heb deze persoon overleefd, en deze. Ik ben toch niet de zwakste.
 
Ook Femke blijkt een slachtoffer van deze heersende ideologie van zelfverwerkelijking en groei. Ze gaat in haar zoektocht naar haar ‘ware zelf’ helemaal op in de lectuur van het zelfhulpboekje Bevrijd door de liefde van ene Jan Geurtz. Heerma van Voss spot met deze zweverige bestsellers van happiness-entrepreneurs à la Geurtz, waarin geponeerd wordt dat vrijheid gelijk staat aan je loswerken van de ander, aan onafhankelijkheid.
 
Geurtz legt heel goed uit dat je niet afhankelijk van elkaar hoeft te zijn in een relatie. Ik wil me niet langer verantwoordelijk voelen voor jouw geluk. Of ongeluk. Ik weiger last te hebben van schuldgevoel als je stilvalt of buikpijn krijgt.
 
Spot is vaak de eerste toevlucht van mensen die voelen dat er iets mis is, maar het blijft, mijns inziens, een oppervlakkige vorm van kritiek. Zijn deze ideeën gepresenteerd in een warmgeel omslag wel zo onschadelijk en lachwekkend als ze zich voordoen? Of teren ze op de verbrokkeling in de samenleving en voeden ze net, onder de vlag van de sleutel tot het individueel geluk, de steeds verdere atomisering in relaties? In plaats beter te leren samenleven en een betere onderlinge verhouding te creëren, speelt dit soort individualistisch denken mensen nog verder uit elkaar. Het uiteindelijke effect is pervers en allesbehalve grappig. Ons zelfbehoud en individueel geluk is er volgens mij namelijk net mee gediend dat we aan de ander denken, pas in confrontatie met anderen ontstaat iets als een zelf. Of met Clarice Lispector: ‘Ik kom mezelf tegen in de anderen’. Heerma van Voss lijkt dat wel impliciet te erkennen. In Condities zijn er immers heel weinig anderen. De personages trekken zich graag terug achter hun veilig pantser, op hun eiland. Het persoonlijk failliet van Vincent Pek lijkt bijna een voorafspiegeling van een bredere maatschappelijke en relationele ondergang.
 
Wandelen met Gregor
De ‘Nederlandse fictie verkeert in een diepe crisis’, beweren Pek en zijn redacteur. De verhaallijn rond het boek waarmee hij worstelt, illustreert onverbloemd dat het leven van een schrijver allesbehalve over rozen gaat. Peks verhalenbundel met elf nieuwe verhalen over Gregor stelt de uitgever grotendeels teleur, op één verhaal na: dat waarin Gregor op een mooie zomerdag een wandelingetje maakt en plots overvallen wordt door vreselijke buikpijn. Op aanraden van de uitgever werkt Pek dat verhaal verder uit, eerst moeizaam en weifelend, vervolgens met meer succes. Schrijven is niet alleen een hoogst confronterende arbeid, het is ook zonder einde en bovendien is de uitkomst zeer onzeker. De angst dat het niet goed genoeg is, voedt een permanente onderstroom van gevoelens van stress en je kan er niet even tussenuit, er is geen buitenruimte waar je even kan herstellen van die voortdurende prestatiedruk.
            Deze lijn rond ‘het boek in het boek’ geeft een boeiende en oprechte inkijk in de realiteit van een kunstenaarsbestaan. Ook het gegeven van de wandeling, een metafoor voor de levensweg die je steunend op je eigen lichaam moet afleggen, is – hoewel enigszins cliché – wel passend. De ideale wandeling is er een zonder belemmeringen: je hebt er tijd, een gezond lichaam en een mogelijke bestemming voor nodig. Maar Peks lijf laat het steeds feller afweten, wat een heel eenvoudig gegeven onder spanning zet. Wandelen is een klassiek, veelvuldig toegepast topos binnen de literatuur en schept de vrijheid om, in de voetsporen van de geest van de wandelaar, allerhande gedachten, tijdslagen en werelden door elkaar te presenteren. Dat Heerma van Voss zich beroept op het bekende past binnen wat hij in Plaatsvervangers verwoordt:
 
De indrukwekkendste artiesten zijn voor mij ook nooit degenen die de vernieuwendste teksten schrijven of de doordachtste politieke opvattingen ventileren, maar degenen die het overtuigendst het woord nemen, die de aandacht vasthouden, en vooral: die ik bereid ben te geloven.
 
Voor Heerma van Voss geen obscure filosofische citaten, maar wel een echo aan Kafka’s Metamorfose die deel uitmaakt van het collectieve geheugen. De overeenkomsten met Gregor Samsa zijn legio: Pek transformeert fysiek en geestelijk, evolueert binnen zijn schrijverschap en net als Gregor Samsa is hij een eenling (Samsa betekent in het Tsjechisch ‘ik ben alleen’). Samsa’s transformatie tot levensgroot insect voltooit zich al in de eerste zin van het verhaal en blijkt onomkeerbaar. Wat volgt is een beschrijving van Samsa’s inspanningen om een soort modus vivendi te vinden. Die zoektocht herhaalt zich in Condities, zowel op komische als op tragische wijze. Bij een plotse, ingrijpende verandering in de identiteit ontstaat immers de noodzaak om zelf een nieuw eigen verhaal te construeren. In Plaatsvervangers noteert Heerma van Voss:
 
Doorgronden. Nog steeds is dat mijn voornaamste drijfveer wanneer ik schrijf: ik heb geen maatschappelijke boodschap of missie, wellicht niet eens een educatief oogpunt, ik wil alleen de onrust in mijn hoofd verdrijven, alles op een rijtje krijgen om het de zweem van een functie te geven.
 
Condities is doordacht en weloverwogen geconstrueerd met het lichtvoetiger eerste en donkerder tweede deel. De roman bevat ondanks de ernstige thematiek veel grappige scènes, zoals wanneer Pek op babyvisite gaat bij zijn ex-liefje Jana of voor het eerst terechtkomt in de spermabank. Thomas Heerma van Voss signaleert de problemen en pijnpunten van onze huidige samenleving door er zijn personages vaak spottend mee te confronteren, maar de stap naar een meer kritische analyse zet hij jammer genoeg niet.
            Condities beschrijft pijn, schaamte, isolement. Nu eens subtiel, dan weer theatraal maar steeds vlot en vakkundig. Toch weet deze roman, die – zeker naar het einde toe – gebaat zou zijn bij wat knipwerk, amper te verrassen of echt te raken. Op twee uitzonderingen na, namelijk de scène in het Britse voetbalstadion en de slotscène van het eerste deel waarin een hond een perfecte drol legt. Beide ietwat bevreemdende scènes staan dankzij hun sterke opbouw onder spanning en weten dat beklemmend gevoel over te zetten op de lezer. Terwijl de meer klassiek-realistische weergave van pijn elders in het boek soms ongewild iets larmoyants krijgt of je geheel koud laat; er is zoveel dat aan de alledaagse taal ontsnapt. Daarin maakte Bervoets, wat mij betreft, de betere keuze: je stapt als lezer mee in de allegorie, een soort imaginaire werkelijkheid die naast de alledaagse wereld bestaat, waardoor je middenin een alternatief universum zit en je alles veel dichter nadert.
            ‘Spectaculair zou zijn bestaan vast niet meer worden. Heel aardig, dat moest kennelijk het nieuwe streven zijn.’ (195) Zo besluit Pek na zijn diagnose. Een conclusie die ook van toepassing kan zijn op die nieuwe worp van Thomas Heerma van Voss: het is heel well-made, maar echt binnenkomen doet het niet.
 
 
 
BIBLIOGRAFIE
 
Thomas Heerma van Voss, Condities. Das Mag, Amsterdam, 2020.
 
 
Noten
 
[i] Gaea Schoeters, Rekto:Verso, nr. 85, oktober-november 2019.
[ii] Gaea Schoeters, Rekto:Verso, nr. 85, oktober-november 2019.
[iii] Joost de Vries, Vechtmemoires. Prometheus, Amsterdam, 2014.
 

 

Comments